Wat houdt de stofwisseling precies in?

Stofwisseling is een ander woord voor metabolisme. Dit is het proces waarbij het lichaam eten omzet naar energie. Dit is een proces dat plaatsvindt in het lichaam. Het metabolisme zorgt ervoor dat je kunt leven, ademen en groeien. Het verzorgt alle energie die je nodig hebt om te kunnen leven. Iedereen heeft een metabolisme, anders kun je niet leven. Het kan langzaam werken of snel. Het metabolisme is de snelheid waarmee calorieën worden verbruikt door het lichaam. Het is niet een hoeveelheid en ook niet een niveau maar een snelheid die steeds verandert. Als het lichaam langzaam een calorie verbrandt voor energie dan is het metabolisme laag. Als het lichaam dit snel doet dan is het metabolisme hoog. De stofwisseling heeft twee functies:

Anabolisme

Bij anabolisme wordt energie gebruikt voor het aanmaken van cellen. Bij de anabolisme functie worden cellen aangemaakt. Als je groeit worden er bijvoorbeeld cellen aangemaakt. Hetzelfde is ook het geval als je jezelf snijdt. Anabolisme zorgt er voor dat de wond dicht gaat en begint te helen.

Katabolisme

Bij katabolisme wordt energie gewonnen door cellen af te breken. Katabolisme breekt cellen af voor energie. De energie wordt gebruikt voor alles wat je doet; als je loopt, ademt, rent of tv kijkt. Bij sporten worden bijvoorbeeld veel cellen afgebroken voor energie.

Wat doet het metabolisme?

Het metabolisme past zich aan op de situatie van een persoon. Het lichaam heeft calorieën nodig om de organen van energie te voorzien en alle functies werkend te houden. Zo is er bijvoorbeeld energie nodig voor de hersenen om te functioneren. Het hart heeft energie nodig om te kloppen en het lichaam heeft energie nodig voor de ademhaling.

Iemand die actief is verbruikt meer calorieën dan iemand die niet actief is. Het lichaamstype van een persoon heeft een relatie met het metabolisme. Iemand die dun is heeft over het algemeen een sneller metabolisme dan iemand die dik is.

Waar komt energie vandaan?

Energie dat gebruikt wordt om het lichaam van energie te voorzien kan uit voeding komen of vanuit het eigen lichaam. Als je aan het afvallen bent dan komt de energie uit voeding én uit de vetreserves. De meeste energie komt uit voeding. Het grootste gedeelte van de voeding wordt gebruikt voor het metabolisme. Als je minder gaat eten dan past het lichaam zich aan. Het gaat dan langzamer werken zodat het dezelfde functies kan blijven doen terwijl het minder eten krijgt. Het lichaam gaat dan op de bespaarstand. Als je meer eet dan gaat het metabolisme sneller werken zodat de vetreserves niet te veel worden.

Comments are closed.